Numeri 11:4 - Statenvertaling Jongbloed-editie4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel4 De vreemdelingen die met hen uit Egypte meegereisd waren, begonnen terug te verlangen naar Egypte. Toen gingen ook de Israëlieten weer mopperen en klagen: "Hadden we maar vlees te eten! Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling4 De bonte verzameling vreemdelingen, die in hun midden was, werd vervuld van begeerte en ook de zonen van Israël begonnen weer te jammeren en zeiden: “Wie zal ons vlees te eten geven?” Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling4 Het samenraapsel van vreemdelingen dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Zie het hoofdstukHet Boek4-5 Toen begonnen de vreemdelingen die waren meegekomen met de uittocht, terug te verlangen naar het goede leven in Egypte. Zij staken daarmee de Israëlieten aan en die begonnen te jammeren: ‘Och, als we maar wat vlees te eten hadden! Denk eens aan die heerlijke vis die we in Egypte konden eten, aan die komkommers en meloenen, aan dat look, die uien en dat heerlijke knoflook. Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19514 Het samenraapsel nu, dat zich onder hen bevond, werd met gulzig begeren vervuld; ook de Israëlieten begonnen weer te jammeren en zeiden: Wie geeft ons vlees te eten? Zie het hoofdstuk |