Ester 8:5 - Statenvertaling Jongbloed-editie5 En zij zeide: Indien het den koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb en deze zaak voor den koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen des konings zijn. Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel5 En ze zei: "Mijn heer de koning, wilt u alstublieft brieven sturen naar alle provincies, om te zeggen dat het bevel van Haman om alle Judeeërs in het land te doden, niet uitgevoerd moet worden? Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling5 Zij zei: “Als het de instemming van de koning heeft en ik bij hem genade gevonden heb en deze zaak de koning juist lijkt en ik in zijn ogen welgevallig ben, laat er dan iets op schrift gesteld worden om de brieven met het plan van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, te herroepen, de brieven die hij geschreven heeft om de Joden die zich in alle rijksgebieden van de koning bevinden te vernietigen. Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling5 Zij zei: Als het de koning goeddunkt en als ik genade bij hem heb gevonden, en deze zaak juist is in de ogen van de koning en ik aangenaam ben in zijn ogen, laat er dan een schrijven uitgaan om de brieven te herroepen met het plan van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, die hij heeft geschreven om de Joden om te brengen in alle gewesten van de koning. Zie het hoofdstukHet Boek5 Zij zei: ‘Majesteit, als u mij een gunst wilt bewijzen en als u het met mij eens bent, stuur dan opnieuw een brief rond in uw rijk. Herroep daarin Hamans bevel om alle Joden in uw rijk uit te roeien. Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19515 en zeide: Indien het de koning goeddunkt en ik zijn genegenheid gewonnen heb, en indien dit de koning juist toeschijnt en ik de koning welgevallig ben, laat dan een schrijven verzonden worden om de brieven met het plan van de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, welke deze geschreven heeft om de Joden in al de gewesten des konings uit te roeien, te herroepen. Zie het hoofdstuk |