Ester 6:6 - Statenvertaling Jongbloed-editie6 Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij? Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel6 Haman kwam binnen. De koning vroeg hem: "Wat zal ik doen met iemand die ik wil belonen?" Haman dacht bij zichzelf: "Wie anders dan mij zou de koning willen belonen?" Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling6 Toen Haman binnengekomen was, zei de koning tegen hem: “Wat zal men met de man doen aan wie de koning graag eer wil bewijzen?” En Haman dacht in zijn hart: “Aan wie anders zou de koning graag meer eer willen bewijzen dan aan mij?” Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling6 Toen Haman binnengekomen was, zei de koning tegen hem: Wat moet worden gedaan voor de man aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen? Toen dacht Haman bij zichzelf: aan wie behaagt het de koning meer eer te bewijzen dan aan mij? Zie het hoofdstukHet Boek6 Toen Haman was binnengekomen, vroeg de koning: ‘Wat kan ik doen voor iemand aan wie ik graag eer wil bewijzen?’ Haman dacht bij zichzelf: ‘Aan wie anders zou de koning eer willen bewijzen dan aan mij?’ Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19516 Toen Haman was binnengekomen, zeide de koning tot hem: Wat zal men de man doen, wie de koning eer wil bewijzen? Haman dacht bij zichzelf: Wie zou de koning groter eer willen bewijzen dan mij? Zie het hoofdstuk |