Ester 4:11 - Statenvertaling Jongbloed-editie11 Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings, weten wel dat al wie tot den koning ingaat, in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen. Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel11 "Iedereen die ongevraagd bij de koning komt, wordt gedood. Iedereen in het hele koninkrijk weet dat! Alleen als de koning zijn gouden staf naar je uitsteekt als je ongevraagd bij hem komt, blijf je in leven. En ik ben al 30 dagen niet door de koning geroepen." Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling11 “Alle dienaren van de koning en het volk in de rijksgebieden van de koning weten heel goed dat er maar één vonnis is voor iedere man of vrouw, die zonder geroepen te zijn bij de koning in de binnenste voorhof komt, namelijk de dood, tenzij de koning hem zijn gouden scepter toereikt, opdat hij in leven blijft. Ik ben deze afgelopen dertig dagen niet geroepen om bij de koning te komen.” Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling11 Alle dienaren van de koning en de bevolking van de gewesten van de koning weten dat voor ieder, man of vrouw, die naar de koning gaat, in het binnenste voorhof, en die niet geroepen is, zijn enige vonnis is dat men hem doodt, tenzij de koning hem de gouden scepter toereikt; dan zal hij in leven blijven. En wat mij betreft, ik ben nu al dertig dagen niet geroepen om naar de koning te komen. Zie het hoofdstukHet Boek11 ‘Iedereen weet dat als iemand, man of vrouw, zonder geroepen te zijn naar de koning gaat in de binnenste voorhof, hij gedoemd is te sterven. Tenzij de koning hem zijn gouden scepter aanreikt, dan is zijn leven veilig. Het is nu al een maand geleden sinds ik bij de koning ben geroepen.’ Zie het hoofdstukNBG-vertaling 195111 Alle dienaren des konings en de inwoners van des konings gewesten weten, dat voor ieder, hetzij man of vrouw, die ongeroepen tot de koning in de binnenste voorhof komt, deze éne wet bestaat: dat men hen doden zal. Alleen diegene blijft in het leven gespaard, aan wie de koning de gouden scepter toereikt. Ik nu ben in geen dertig dagen bij de koning geroepen. Zie het hoofdstuk |