Ester 2:7 - Statenvertaling Jongbloed-editie7 En hij was het, die opvoedde Hadássa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mórdechai ze zich tot een dochter aangenomen. Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel7 Bij hem in huis woonde Ester. Hij zorgde voor haar en voedde haar op, omdat ze geen ouders meer had. Ze was de dochter van zijn oom. Haar Judeese naam was Hadassa, maar in het Perzisch werd ze Ester genoemd. Het meisje zag er mooi en knap uit. Toen haar ouders stierven, had Mordechai haar als dochter in huis genomen. Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling7 Hij was het die Hadassa, dat is Ester, de dochter van zijn oom, opvoedde, want zij had geen vader of moeder meer en zij was een jonge vrouw, schoon van gestalte en mooi om te zien. Toen haar vader en haar moeder gestorven waren, had Mordechai haar als zijn dochter aangenomen. Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling7 En hij was het die Hadassa, dat is Esther, de dochter van zijn oom, opvoedde, want zij had geen vader of moeder. Het meisje nu was mooi van gestalte en knap om te zien. En toen haar vader en moeder gestorven waren, had Mordechai haar als dochter aangenomen. Zie het hoofdstukHet Boek7 Mordechai was de pleegvader van een bijzonder knap en aantrekkelijk meisje, Hadassa, die in het Perzisch Esther werd genoemd. Zij was de dochter van zijn oom. Hij had haar na de dood van haar ouders als dochter aangenomen. Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19517 Hij was de pleegvader van Hadassa – dat is Ester –, de dochter van zijn oom, want zij had vader noch moeder, een meisje, bekoorlijk van gestalte en schoon van uiterlijk. Bij de dood van haar vader en moeder had Mordekai haar als dochter aangenomen. Zie het hoofdstuk |