Ester 2:21 - Statenvertaling Jongbloed-editie21 In die dagen, als Mórdechai in de poort des konings zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasvéros. Zie het hoofdstukMeer versiesBasisBijbel21 In die tijd waren er twee dienaren van de koning, Bigtana en Teres, die kwaad waren op de koning. Ze waren bewakers van de kamers van de koning. Mordechai hoorde hen overleggen hoe ze de koning zouden vermoorden. Zie het hoofdstukEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling21 In die dagen, toen Mordechai in de poort van de koning zat, waren Bigtan en Teres, twee hofdienaren van de koning, die deel uitmaakten van de poortwachters, heel erg kwaad geworden en zij probeerden de hand aan koning Ahasveros te slaan. Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling21 In die dagen, toen Mordechai in de poort van de koning zat, waren Bigthan en Teres, twee hovelingen van de koning, uit de kring van de deurwachters, erg kwaad en zij wilden de hand aan koning Ahasveros slaan. Zie het hoofdstukHet Boek21 Toen Mordechai op zekere dag in het paleis aan het werk was, smeedden twee verbitterde poortwachters van het paleis een samenzwering. Het waren Bigtan en Teres. Zij wilden de koning vermoorden. Zie het hoofdstukNBG-vertaling 195121 in die dagen dan, toen Mordekai in de poort des konings zat, werden Bigtan en Teres, twee hovelingen des konings, behorende tot de dorpelwachters, zeer verbitterd en zij trachtten aan koning Ahasveros de hand te slaan. Zie het hoofdstuk |