Openbaring 9:4 - BasisBijbel4 En er werd tegen hen gezegd, dat ze niet mochten eten van het gras, de struiken en de bomen. Ze mochten alleen de mensen kwaad doen die niet het stempel van God op hun voorhoofd hadden. Zie het hoofdstukMeer versiesEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling4 Hun werd gezegd, dat zij geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, ook niet aan enig groen gewas, zelfs niet aan de bomen, maar alleen aan de mensen die het zegel van GOD niet op hun voorhoofd hadden. Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling4 En tegen hen werd gezegd dat ze geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, of welke groene plant of welke boom dan ook, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. Zie het hoofdstukHet Boek4 Er werd hun gezegd dat zij het gras, de bomen en de andere planten met rust moesten laten. Het enige wat zij moesten doen, was: de mensen steken die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19514 En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden. Zie het hoofdstukStatenvertaling Jongbloed-editie4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben. Zie het hoofdstuk |