Numeri 22:5 - BasisBijbel5 En hij stuurde boodschappers naar [ de waarzegger ] Bileam, de zoon van Beor. Bileam woonde in Petor, aan de rivier van zijn vaderland. Ze moesten hem zeggen: "Er is een volk uit Egypte gekomen dat zó groot is, dat het hele land door dat volk bedekt wordt. Het staat nu aan de grenzen van mijn land. Zie het hoofdstukMeer versiesEBV24 een eigentijdse Bijbelvertaling5 Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, naar Pethor aan de rivier de Eufraat, in het land van de zonen van zijn volk, om hem te roepen en te zeggen: “Zie, er is een volk uit Egypte opgetrokken en zie, het heeft het aardoppervlak bedekt en het is pal tegenover mij komen wonen. Zie het hoofdstukHerziene Statenvertaling5 Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier de Eufraat, in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen. Zie het hoofdstukHet Boek5-6 Daarom stuurde koning Balak boodschappers naar Bileam (de zoon van Beor) die in zijn vaderland Petor dicht bij de Eufraat woonde. Hij smeekte Bileam hem te komen helpen met de woorden: ‘Er is hier een volk uit Egypte aangekomen dat het hele land in beslag neemt. Ze hebben hun kamp recht tegenover mij opgeslagen! Kom alstublieft hierheen en vervloek hen voor mij, zodat ik hen uit mijn land kan verdrijven. Want ze zijn mij te sterk. U staat erom bekend dat uw zegen ook werkelijk een zegen is en dat ieder die door u wordt vervloekt, ook werkelijk ís vervloekt.’ Zie het hoofdstukNBG-vertaling 19515 Hij dan zond boden naar Bileam, de zoon van Beor, naar Petor, dat aan de Rivier ligt, naar het land zijner volksgenoten, om hem te ontbieden met deze woorden: Daar is een volk getrokken uit Egypte; zie, het overdekt de oppervlakte van het land, terwijl het tegenover mij gelegerd is. Zie het hoofdstukStatenvertaling Jongbloed-editie5 Die zond boden aan Bileam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. Zie het hoofdstuk |